Naturalisatie

Hoe wordt ik Surinamer?

Naturalisatie is geregeld bij de Wet Nationaliteit en Ingezetenschap WNI (G.B. 1975 no. 171, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2014 no. 121). 

1. Naturalisatie bij Resolutie ingevolge art. 16a WNI;

1. De President kan op verzoek de Surinaamse nationaliteit verlenen aan een persoon, die: 

a. een vreemde nationaliteit bezit of staatloos is, doch die in Suriname is geboren; 

b. te eniger tijd de Surinaamse nationaliteit heeft bezeten en die thans een vreemde nationaliteit bezit of staatloos is; 

c. buiten Suriname is geboren uit ouders van wie één of beide in Suriname is (zijn) geboren en met welke ouder(s) die persoon in familierechtelijke betrekking staat of heeft gestaan, en die thans een vreemde nationaliteit bezit of staatloos is.;

d. de PSA ingezetene, ingevolge de Wet houdende de vaststelling van de status van personen van Surinaamse afkomst  en de rechten en de Plichten die uit de status voortvloeien (WET PSA S.B. 2014 no. 08)

2. Voor de verlening van de Surinaamse nationaliteit, als bedoeld in het vorige lid, is vereist, dat de verzoeker: 

a. meerderjarig is in de zin van deze wet; 

b. op de dag van indiening van het verzoek woonplaats of hoofd verblijf in Suriname heeft. 

3. Het besluit van de President, als bedoeld in lid 1, wordt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname bekend gemaakt. 

2. Naturalisatie bij Wet ingevolge art. 8 WNI;

1. De Surinaamse nationaliteit door naturalisatie wordt verkregen door het in werking treden van een wet waarbij zij verleend wordt. 

2. Voor elke naturalisatie is aan de Staatskas verschuldigd een bedrag van ten minste SRD 200,- (Tweehonderd Surinaamse dollars, met dien verstande dat minderjarige kinderen die tijdens het proces van naturalisatie reeds meerderjarig zijn geworden en zelfstandig een verzoek tot naturalisatie moeten indienen, dit bedrag niet meer hoeven te voldoen. 

3. Geen recht is verschuldigd voor naturalisatie van de vrouw die tegelijk met haar man wordt genaturaliseerd. 

4. Om een verzoek voor naturalisatie te kunnen indienen moet de verzoeker: 

a. meerderjarig zijn in de zin van deze wet; 

b. zijn Surinaamse nationaliteit hebben verloren of gedurende de laatste vijf jaren zijn woonplaats dan wel zijn hoofdverblijf in Suriname hebben gehad of in Suriname zijn geboren uit ouders zonder dan wel van onbekende nationaliteit; 

c. bij een Ontvanger der Directe Belastingen het voor naturalisatie verschuldigde bedrag hebben gestort. De Ontvanger der Directe Belastingen is bevoegd overlegging 2 Gew. bij S.B. 1984 no. 55, S.B. 2002 no. 22. 3 te vorderen van een bewijs, waaruit de grootte van het belastbaar inkomen blijkt. 

5. Indien de verzoeker tot een ander land behoort kan van hem de overlegging worden gevorderd van een bewijs, dat de wetgeving van dat land geen beletsel tegen zijn naturalisatie in Suriname oplevert. 

6. Ten aanzien van hen die de Surinaamse nationaliteit verloren hebben, alsmede voor de gehuwde vrouw die niet tegelijk met haar man wordt genaturaliseerd, wordt het recht bepaald op een vast bedrag van SRD 80,-  (Tachtig Surinaamse dollar). 

7. Ingeval de naturalisatie niet verleend wordt, wordt de helft van de gestorte som aan de verzoeker teruggegeven. 

8. Eventuele verschrijvingen in de gegevens van de genaturaliseerden in de Wet waarbij de naturalisatie is verleend, worden door de Minister gecorrigeerd.

9. Bij of krachtens staatsbesluit zullen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de inburgering als voorwaarde van naturalisatie.

3. Naturalisatie door optie van achtienjarige geboren in Suriname ingevolge art. 5 WNI; 

Surinamer wordt het in Suriname geboren kind van een tijdens de geboorte aldaar wonende vader of moeder bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, indien het kind gedurende het onmiddellijk daaraan voorafgegane tijdvak van drie jaren in Suriname woonplaats of hoofdverblijf heeft gehad. 2 2. Gedurende het aan het bereiken van de 18-jarige leeftijd voorafgaand jaar heeft bedoeld kind echter, mits het op dat tijdstip een andere nationaliteit bezit, de bevoegdheid zelfstandig aan de bij artikel 19 bedoelde autoriteit zijn wil te kennen te geven dat het in afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid de Surinaamse nationaliteit niet wenst te verkrijgen. 3. Deze bepalingen gelden niet voor in Suriname geboren kinderen van beroepsconsuls van vreemde mogendheden, of van ambtenaren van andere staten of volkenrechtelijke organisaties met een officiële opdracht hier te lande belast. 

4. Naturalisatie vanwege het huwelijk ingevolge art. 12 WNI; 

1. De niet-Surinamer, wier man of wiens vrouw bij het sluiten van het huwelijk Surinamer was, verkrijgt de Surinaamse nationaliteit door de wil daartoe te kennen te geven aan de bij artikel 19 bedoelde Minister, indien de man of vrouw nog Surinamer is en op de dag van de kennisgeving:

a. het huwelijk tenminste twee jaren heeft geduurd en nog voortduurt en de echtelieden twee jaren woonplaats of werkelijk verblijf op hetzelfde adres hebben of hebben gehad, of;

b. de kennisgever voor de voltrekking van het huwelijk en tot de dag van de indiening van de kennisgeving vijf jaren of langer woonplaats of werkelijk verblijf in Suriname heeft of heeft gehad, of;

c. de kennisgever heeft kunnen aantonen dat uit de relatie van de echtelieden kinderen zijn geboren, al dan niet voor het huwelijk.

2. Het werkelijk verblijf op hetzelfde adres, zoals bedoeld in lid 1 zal door de Minister worden getoetst door daartoe aan de Procureur-Generaal het verzoek te doen. De toetsing vanwege de Minister zoals eerder genoemd behoort binnen twee maanden na indiening van de mededeling te geschieden.

Het resultaat van de toetsing wordt onverwijld schriftelijk aan de kennisgever overhandigd.

3. Op personen als bedoeld in lid 1, die vanwege het wonen buiten Suriname niet voldoen aan het gestelde onder a tot en met c van voornoemd lid is artikel 16a van toepassing.